CEE

Nieuwe EBO (Energiebeleidsovereenkomst) vanaf 2027: wat verandert voor energie-intensieve bedrijven?

Vanaf 1 januari 2027 start een nieuwe generatie Energiebeleidsovereenkomsten (EBO). Hoewel de teksten nog niet definitief zijn, is de richting duidelijk: meer bedrijven kunnen in aanmerking komen en industriële proceswarmte en elektrificatie krijgen een prominentere rol.

Wat is de Energiebeleidsovereenkomst (EBO)?

De EBO is een Vlaams vrijwillig afsprakenkader voor energie-intensieve ondernemingen dat een alternatief biedt voor het louter volgen van het wettelijke energieplan. Bedrijven die toetreden engageren zich om verdergaande energie-efficiëntiemaatregelen te realiseren en hun resultaten te laten opvolgen, maar krijgen daar concrete voordelen voor terug. Zo is EBO-deelname voor bedrijven uit de doelgroep een voorwaarde voor toegang tot verschillende steunmaatregelen en fiscale voordelen, biedt de overeenkomst meer beleidszekerheid en laat ze toe om bepaalde geplande investeringen te vervangen door andere maatregelen met een gelijkwaardig of groter energie- of klimaateffect. Een onderneming die niet deelneemt, behoudt die extra voordelen en flexibiliteit niet en valt terug op het gewone wettelijke kader, waarbij de rendabele maatregelen uit het energieplan moeten worden uitgevoerd. Voor de EBO vanaf 2027 wil de Vlaamse overheid vooral die flexibiliteit verder versterken, zodat bedrijven hun investeringen meer kunnen richten op de maatregelen die binnen hun specifieke situatie de grootste energie- of CO₂-winst opleveren.

Wat verandert er voor energie-intensieve bedrijven vanaf 1 januari 2027?

De nieuwe overeenkomst is voorzien voor 2027 tot en met 2030. In de loop van 2030 kan beslist worden om ze, na een tussentijdse evaluatie, met nog eens vier jaar te verlengen. De EBO kan daarmee potentieel doorlopen tot eind 2034.

Een energie-intensieve vestiging wordt in het huidige ontwerp gedefinieerd als een vestiging met een gemiddeld finaal energiegebruik van minstens 85 TJ per jaar, berekend over de drie voorgaande jaren. Vandaag ligt de EBO-drempel op 100 TJ. Hierdoor kunnen vanaf 2027 ook bijkomende industriële vestigingen binnen de doelgroep vallen.

Voor zowel VER- als niet-VER-bedrijven wordt voorgesteld om maatregelen als rendabel te beschouwen vanaf een interne rentabiliteitsvoet (IRR) van 11% na belastingen. Rendabele maatregelen moeten in principe opgenomen en uitgevoerd worden binnen het energieplan.

Een belangrijke nieuwigheid is het concept van de vervangende maatregel. Bepaalde rendabele maatregelen met een terugverdientijd van meer dan drie jaar kunnen onder voorwaarden vervangen worden door een andere energie- of CO₂-reducerende investering. Denk bijvoorbeeld aan bijkomende energie-efficiëntie, uitkoppeling van restwarmte of andere maatregelen met een grotere CO₂-reductie.

Het ontwerp voorziet dat deelnemende ondernemingen tegen 11 oktober 2027 beschikken over ISO 50001, ISO 14001 of gelijkwaardige energiebeheermaatregelen. Daarnaast blijft jaarlijkse opvolging van energiegebruik, CO₂-uitstoot en de uitvoering van het energieplan belangrijk.

Voor VER-bedrijven blijft ook de klimaatroadmap onderdeel van de EBO. Bestaande roadmaps uit de huidige EBO-periode kunnen daarbij onder voorwaarden verder gebruikt worden.

Meer aandacht voor industriële warmte

Voor productiebedrijven is vooral de sterkere focus op thermische processen relevant. In het huidige voorstel krijgt decarbonisatie van proceswarmte meer aandacht. Ondernemingen zullen onder andere systematisch mogelijkheden moeten onderzoeken voor:

  • warmterecuperatie en benutting van restwarmte
  • elektrificatie van processen
  • industriële warmtepompen
  • e-boilers en andere alternatieven voor fossiele proceswarmte
  • energie-efficiëntiemaatregelen aan ovens, drogers, stoomsystemen en andere thermische installaties

Daarbij ligt de focus niet alleen op de energievoorziening rond het productieproces, maar steeds meer op het proces zelf.

Welke oplossing het meest geschikt is, hangt sterk af van het productieproces, de beschikbare temperaturen, draaiuren en energiekosten. Daarom vertrekken we bij CEE niet vanuit één technologie, maar vanuit het proces en de concrete businesscase.

Van EBO-verplichting naar concrete industriële oplossing

Bij CEE bekijken we een EBO niet alleen als een rapporteringsverplichting, maar als een kans om concrete en rendabele energieprojecten te identificeren. We brengen energiestromen in kaart, voeren waar nodig metingen on-site of in ons labo uit en beoordelen maatregelen op hun technische haalbaarheid en terugverdientijd.

Daarbij werken we merkonafhankelijk. We vertrekken vanuit het productieproces en de businesscase en kiezen op basis daarvan de meest geschikte oplossing, zonder gebonden te zijn aan een specifieke technologie of leverancier.

Onze expertise ligt sterk in industriële droog- en roosterprocessen, warmte-integratie, warmterecuperatie en de verduurzaming van proceswarmte. Interessante maatregelen kunnen we vervolgens verder engineeren, bouwen en installeren, zowel als retrofit van bestaande installaties als bij nieuwe installaties. Ook na de realisatie kunnen we installaties ondersteunen via onderhoud en remote monitoring, zodat de beoogde energiebesparing ook in de praktijk wordt opgevolgd.

Onze focus ligt op pragmatische maatregelen met een aantoonbare terugverdientijd: technisch haalbare oplossingen die passen binnen het productieproces en ook effectief realiseerbaar zijn.

Verbruikt uw vestiging meer dan 85 TJ per jaar of beschikt u over energie-intensieve thermische processen?

Dan is dit een goed moment om te bekijken wat EBO 2027 voor uw bedrijf betekent en welke praktisch realiseerbare maatregelen het grootste energie- en CO₂-besparingspotentieel bieden.

De nieuwe EBO 2027–2030 bevindt zich momenteel nog in de ontwerp- en goedkeuringsfase. De concrete voorwaarden kunnen daarom nog wijzigen.

Veelgestelde vragen over de Energiebeleidsovereenkomst (EBO)

Een Energiebeleidsovereenkomst, kortweg EBO, is een vrijwillige overeenkomst tussen de Vlaamse overheid en energie-intensieve ondernemingen. Bedrijven die toetreden, engageren zich om hun energie-efficiëntie systematisch te verbeteren en bepaalde energie- en klimaatmaatregelen uit te voeren en op te volgen.

De EBO komt niet in de plaats van het energiebeleid van een onderneming. Ze vormt vooral een kader waarin overheid en bedrijven duidelijke afspraken maken over welke inspanningen worden geleverd, hoe die worden aangetoond en welke voordelen daartegenover staan.

Het systeem bestaat in Vlaanderen al verschillende jaren. De huidige EBO loopt van 2023 tot en met 2026. De Vlaamse overheid werkt momenteel aan een volgende EBO vanaf 2027.

Nee. Toetreden tot een EBO is vrijwillig. Dat betekent echter niet dat een energie-intensieve onderneming die niet toetreedt geen verplichtingen heeft.

Ook zonder EBO moeten ondernemingen voldoen aan de Vlaamse en Europese regelgeving rond energie-efficiëntie. Vandaag moeten Vlaamse vestigingen met een finaal energiegebruik vanaf 0,1 PJ of 100 TJ bijvoorbeeld een conform verklaard energieplan hebben. Daarin worden energiebesparende maatregelen onderzocht en moeten maatregelen met een IRR van minstens 13% na belastingen in principe binnen drie jaar worden uitgevoerd.

Omdat een EBO niet alleen bijkomende verplichtingen oplegt. Er staan ook concrete voordelen tegenover.

Voor ondernemingen die tot de EBO-doelgroep behoren, is deelname vandaag onder meer gekoppeld aan toegang tot verschillende Vlaamse steunmaatregelen. Daarnaast bestaan er fiscale voordelen, kan het EBO-traject bepaalde wettelijke verplichtingen afdekken en biedt het systeem een kader waarin ondernemingen meer flexibiliteit kunnen krijgen om hun energie- en klimaatdoelstellingen te realiseren.

Een EBO kan daardoor interessant zijn voor een onderneming die sowieso belangrijke energie-investeringen moet plannen en die haar energiebeleid wil combineren met subsidies, fiscale voordelen en een meer geïntegreerd investeringsplan.

Een belangrijk voordeel is dat EBO-deelname voor ondernemingen die binnen de doelgroep vallen vandaag een voorwaarde is voor verschillende Vlaamse steunprogramma's.

Dat geldt onder andere voor de Ecologiepremie+, GREEN-investeringssteun en Strategische Ecologiesteun. Een onderneming die tot de EBO-doelgroep behoort maar niet toetreedt of de EBO niet naleeft, kan daardoor voor deze steunmaatregelen uit de boot vallen.

Daarnaast kan deelname recht geven op een vrijstelling van onroerende voorheffing voor nieuw materieel en outillage, mits aan de toepasselijke voorwaarden wordt voldaan.

Ook op federaal niveau is er een financieel voordeel: voor aardgas dat voor bepaalde professionele verwarmingsdoeleinden wordt gebruikt, bestaat een verlaagd accijnstarief voor ondernemingen die over een erkende energiebeleidsovereenkomst beschikken.

De precieze koppeling van deze voordelen aan de nieuwe EBO vanaf 2027 moet worden beoordeeld zodra de definitieve overeenkomst en uitvoeringsmodaliteiten zijn goedgekeurd.

Een energieplan is voor bepaalde energie-intensieve vestigingen een wettelijke verplichting. Het brengt het energiegebruik in kaart, identificeert mogelijke energiebesparingen en bepaalt welke rendabele maatregelen moeten worden uitgevoerd.

De EBO gaat verder. Een onderneming sluit vrijwillig aan bij een breder afsprakenkader met bijkomende engagementen rond energiebeheer, monitoring en klimaat. Daar staan voordelen tegenover zoals toegang tot bepaalde steunregelingen en meer flexibiliteit binnen het EBO-kader.

Een onderneming die toetreedt tot de huidige EBO hoeft bovendien niet daarnaast nog een afzonderlijk wettelijk energieplantraject te doorlopen: het energieplan dat voor de EBO wordt opgesteld, geldt ook als conform verklaard energieplan.

Ja. Dat is een belangrijk onderscheid.

Binnen de huidige Vlaamse regelgeving moeten energie-intensieve vestigingen vanaf 100 TJ een energieplan opstellen. Energiebesparende maatregelen met een IRR van minstens 13% na belastingen moeten in principe binnen drie jaar worden uitgevoerd.

Niet deelnemen aan de EBO betekent dus niet dat een onderneming haar energiebesparende investeringen vrij kan kiezen. Er blijven wettelijke verplichtingen bestaan.

De EBO vraagt op bepaalde punten méér, maar biedt daar tegenover ook voordelen en mogelijkheden om het traject op een meer geïntegreerde manier te organiseren.

Ja. Flexibiliteit is een belangrijk onderdeel van de EBO.

Ook binnen de huidige EBO 2023-2026 bestaan zogenaamde flexibele maatregelen. Een onderneming kan onder bepaalde voorwaarden andere maatregelen inzetten om tot eenzelfde energie- of CO₂-besparing te komen als oorspronkelijk in het energieplan was voorzien. Ook kunnen tijdens de looptijd nieuwe maatregelen worden toegevoegd.

In het voorstel voor de EBO vanaf 2027 krijgt dit principe opnieuw een prominente plaats. Voor maatregelen met minstens 11% IRR én een terugverdientijd van meer dan drie jaar wordt expliciet voorzien dat vervangende maatregelen kunnen worden ingezet. Dat kunnen maatregelen op het vlak van energie-efficiëntie, hernieuwbare energie of klimaat zijn.

Dat kan interessant zijn wanneer de oorspronkelijke maatregel technisch minder logisch wordt, wanneer productieprocessen wijzigen of wanneer een alternatieve investering een grotere energie- of CO₂-winst oplevert.

Het uitgangspunt is niet dat een onderneming een rendabele investering eenvoudigweg kan laten vallen.

Een vervangende maatregel moet voldoen aan de regels die binnen de EBO worden vastgelegd en moet een voldoende gelijkwaardig resultaat opleveren. De berekening, bewijsvoering en goedkeuring gebeuren binnen het EBO- en verificatiekader.

Voor een onderneming zit de meerwaarde dus vooral in de mogelijkheid om het resultaat centraal te stellen, in plaats van onder alle omstandigheden vast te zitten aan exact dezelfde technische oplossing die enkele jaren eerder in het energieplan werd geïdentificeerd.

Op dit punt kan de EBO inderdaad meer flexibiliteit bieden.

Binnen het gewone energieplan is het basisprincipe dat de wettelijk rendabele maatregelen uit het plan moeten worden uitgevoerd. Binnen de EBO bestaat een expliciet systeem van flexibele of vervangende maatregelen, mits aan de voorwaarden wordt voldaan.

Dat is vooral relevant voor industriële bedrijven, omdat een energieplan meerdere jaren beslaat terwijl productieprocessen, energieprijzen, investeringsplannen en beschikbare technologie in die periode aanzienlijk kunnen veranderen.

Een project dat bij de audit de meest logische keuze leek, hoeft enkele jaren later niet noodzakelijk nog de beste manier te zijn om dezelfde energie- of klimaatwinst te realiseren.

Volgens het huidige voorstel zou de volgende EBO gericht zijn op ondernemingen met een gemiddeld jaarlijks energiegebruik vanaf 85 TJ.

Die grens sluit aan bij de herziene Europese Energie-efficiëntierichtlijn (EED). Die bepaalt dat ondernemingen met een gemiddeld jaarlijks energiegebruik van meer dan 85 TJ, berekend over de afgelopen drie jaar en over alle energiedragers samen, een energiebeheersysteem moeten invoeren.

De huidige EBO hanteert nog een doelgroep vanaf 100 TJ finaal energiegebruik per vestiging. Het voorgestelde kader vanaf 2027 wordt dus mede beïnvloed door de nieuwe Europese regelgeving.

85 TJ staat voor 85 terajoule energie per jaar. Dat komt overeen met ongeveer 23,6 GWh energie.

Het gaat daarbij niet noodzakelijk alleen over elektriciteitsverbruik. Voor de Europese grens worden verschillende energiedragers samengenomen. Denk bijvoorbeeld aan elektriciteit, aardgas en andere brandstoffen.

Voor ondernemingen die dicht bij de drempel zitten, is het daarom belangrijk om het totale energiegebruik correct af te bakenen en over de juiste referentieperiode te berekenen.

De klimaatroadmap kijkt verder dan de klassieke energiebesparingen op korte termijn.

Binnen de huidige EBO moeten VER-bedrijven een klimaatroadmap opstellen met een langere termijnhorizon richting een koolstofarme bedrijfsvoering. Daarbij wordt onderzocht welke technologische en investeringspaden op termijn nodig kunnen zijn om de CO₂-uitstoot sterk terug te dringen.

Denk bijvoorbeeld aan proceswijzigingen, elektrificatie, hernieuwbare energie, warmte-integratie, alternatieve brandstoffen of andere koolstofarme technologieën.

Ook in het huidige voorstel voor de volgende EBO blijft een klimaatroadmap voor VER-bedrijven voorzien.

Een energieplan is geen statisch document dat volledig losstaat van de realiteit van een productievestiging.

Nieuwe installaties, veranderende productievolumes, gewijzigde energieprijzen, technische beperkingen of nieuwe technologie kunnen invloed hebben op de haalbaarheid en rendabiliteit van maatregelen. Daarom omvat de EBO monitoring en mogelijkheden om maatregelen bij te sturen, opnieuw te beoordelen of,  wanneer aan de voorwaarden wordt voldaan, te vervangen door andere maatregelen.

Het is wel belangrijk dat dergelijke wijzigingen correct worden onderbouwd en volgens de EBO-procedure worden gedocumenteerd.

Ja. Een EBO is vrijwillig om tot de overeenkomst toe te treden, maar niet vrijblijvend nadat een onderneming is toegetreden.

De onderneming moet haar engagementen opvolgen en rapporteren. Het Verificatiebureau controleert onder andere energieplannen, maatregelen en rapporteringen. De Commissie EBO staat in voor het algemene bestuur van de overeenkomsten.

De voordelen die aan deelname gekoppeld zijn, veronderstellen dan ook dat de onderneming haar EBO-verplichtingen daadwerkelijk naleeft.

De onderneming blijft dan onder het gewone wettelijke energie- en klimaatkader vallen.

Ze moet dus nog altijd de energieaudits, energieplannen, energiebeheersystemen en maatregelen uitvoeren die op basis van Vlaamse en Europese regelgeving op haar van toepassing zijn.

Daartegenover kan de onderneming bepaalde voordelen verliezen die specifiek aan EBO-deelname zijn gekoppeld. Voor bedrijven die binnen de huidige EBO-doelgroep vallen, is toetreding bijvoorbeeld een voorwaarde voor verschillende VLAIO-ecologiesteunmaatregelen.

Daarom moet de keuze om al dan niet toe te treden niet alleen worden gemaakt op basis van de extra EBO-verplichtingen, maar op basis van het volledige verschil tussen beide scenario's.

Ja. De EBO is een Vlaams beleidsinstrument en heeft betrekking op ondernemingen en vestigingen in het Vlaamse Gewest.

De achterliggende energie- en klimaatregelgeving bestaat wel uit een combinatie van Vlaamse, Belgische en Europese regels. De nieuwe Europese EED is daar een voorbeeld van.

Ook sommige financiële voordelen die gebruikmaken van de EBO hebben een federale oorsprong. Het verlaagde accijnstarief voor aardgas is bijvoorbeeld een federale regeling die een Vlaamse EBO als erkende overeenkomst kan gebruiken.

Wallonië en Brussel hebben hun eigen systemen en overeenkomsten.

De bedoeling van de Vlaamse overheid is om de volgende EBO op 1 januari 2027 te laten starten.

Op 17 juli 2026 heeft de Vlaamse Regering kennisgenomen van een conceptnota met een eerste ontwerp. Tijdens de zomer en het najaar van 2026 worden de bijlagen en uitvoeringsmodaliteiten verder uitgewerkt. Daarna volgt de formele goedkeuringsprocedure.

De bepalingen die vandaag worden aangekondigd, zoals de grens van 85 TJ, 11% IRR en het systeem van vervangende maatregelen, moeten daarom nog als voorlopig worden beschouwd.

Ook zolang de definitieve EBO nog niet is goedgekeurd, kan een onderneming zich al inhoudelijk voorbereiden.

Het is bijvoorbeeld nuttig om het energiegebruik van de voorbije drie jaar correct in kaart te brengen, te bepalen of de onderneming rond of boven de nieuwe 85-TJ-grens zit en bestaande energieaudits en energieplannen te actualiseren. Daarnaast kan een onderneming inventariseren welke maatregelen de komende jaren sowieso op de investeringsplanning staan en welke projecten mogelijk in aanmerking komen als energie-efficiëntie-, elektrificatie-, hernieuwbare-energie- of klimaatmaatregel.

Zo kan bij publicatie van de definitieve EBO veel sneller worden beoordeeld of toetreding interessant is.

CEE kan ondernemingen begeleiden van analyse tot uitvoering. Dat begint bij het in kaart brengen van het energiegebruik en de wettelijke verplichtingen, het uitvoeren of actualiseren van de energieaudit en het bepalen van technisch en economisch haalbare maatregelen.

Maar de belangrijkste meerwaarde ligt in de stap daarna: nagaan welke maatregelen technisch werkelijk uitvoerbaar zijn, hoe ze financieel scoren en hoe ze passen binnen de bredere investerings- en klimaatstrategie van de onderneming.

Daarbij kan onder andere worden gekeken naar procesoptimalisatie, warmte-integratie en restwarmte, warmtepompen, elektrificatie, hernieuwbare energie en alternatieve maatregelen wanneer een oorspronkelijk project niet langer de beste oplossing is.

Zo wordt de EBO niet alleen een rapporteringsverplichting, maar een instrument om een realistisch investeringspad voor energie en decarbonisatie uit te bouwen.

CEE kan uw energiegebruik, verplichtingen en investeringsmogelijkheden analyseren en de financiële impact van toetreding aan de EBO vergelijken met het wettelijke alternatief. Zo weet u niet alleen wat moet, maar vooral welke aanpak technisch en economisch het meest interessant is voor uw vestiging.

Bekijk hoe we bedrijven helpen hun energie- en klimaatambities waar te maken: met haalbare roadmaps, slimme procesoptimalisaties, elektrificatie en innovatieve technologie die we ontwikkelen rond de specifieke noden van het productieproces.

2026/07/26

Superheated Steam Drying Enables Sustainable Brick Production in Beek

Meer lezen
VDS Beek
2025/06/16

Shaping a Sustainable Future in Brick & Tiles Manufacturing

Meer lezen
Kebe
2024/05/30

ETEX and Promat install two super-heated steam dryers

Meer lezen
ETEX and Promat

info@cee.eu
+32 16 18 51 44
Linkedin

VCA safety certification: 60604219

Privacy Policy
Disclaimer